![]() |
||
![]() |
![]() |
|
Dubbelzien en de ziekte van Parkinson Hieronder vindt u de uitgebreide versie over Dubbelzien en de Ziekte van Parkinson met referenties uit de literatuur en een referentielijst. De drie figuren in dit verhaal corresponderen met Figuur 1, 2 en 3 in de verkorte (vereenvoudigde) versie in de Papaver (32e jg, nummer 6, pag. 5-8, 2009).
Dubbelzien en de ziekte van Parkinson door dr. S.R. Poort, lid van de Werkgroep Wetenschap en Ethiek
Inleiding De stoornissen bij het zien wisselen nogal bij verschillende patiënten. De één heeft last van slechter gaan zien bij het lezen of televisiekijken, de ander bij het autorijden of computeren. De beelden worden vooral bij gedimd licht of schemerlicht waziger waargenomen. Verdere oogklachten zijn droge ogen, stijfheid en kramp van bepaalde oogspieren (5) en het waarnemen van dubbelbeelden (6). Het dubbelzien komt echter vooral in een verdere fase van de ZvP regelmatig voor en verlaagt daarmee de mogelijkheid om fijne details te kunnen onderscheiden, dichtbij en/of veraf.(7).
Waarom ziet u normaal geen dubbelbeelden met twee ogen? Bij een normale visuele ontwikkeling vallen de twee waargenomen beelden van een voorwerp op corresponderende plaatsen van de netvliezen. De hersenen vormen deze twee beelden om tot één enkel beeld. Bij een normale waarneming gaan de ogen altijd gezamenlijk bewegen in dezelfde richting. De assen van de twee ogen lopen daarbij ongeveer evenwijdig aan elkaar en de ogen bewegen met vrijwel dezelfde snelheid in dezelfde richting. Bij het verplaatsen van de blik naar voorwerpen op verschillende afstand zullen de oogassen niet steeds parallel blijven. Van ver naar dichtbij zien gaan de assen in meer of mindere mate naar elkaar toe en spreken we van convergeren. Omgekeerd gaan de assen enigszins uit elkaar, wanneer u van dichtbij naar verder weg gaat kijken, d.w.z. u divergeert de twee ogen. Wanneer u naar een dichtbij gelegen voorwerp eerst met het rechter - en dan met het linkeroog kijkt, zult u merken, dat de gezichtsbeelden iets verschillen. Door het kleine verschil in de hoek, waaronder beide ogen voorwerpen zien, zijn de afbeeldingen op de twee netvliezen iets verschillend van elkaar. Dit verschil tussen de inkomende beelden maakt het mogelijk om diepte waar te nemen.Wanneer echter de twee beelden te veel van elkaar verschillen kunnen de hersenen deze niet meer tot één beeld vormen. De persoon zal dan twee beelden apart waarnemen, dus dubbelzien. Dubbelzien komt vaak door een verstoring van oogbewegingen. Eerst gaan we bekijken, hoe de besturing van de oogbewegingen normaal verloopt, daarna hoe dubbelzien ontstaat, wat voor dubbelbeelden we kunnen tegenkomen, in het bijzonder bij patiënten met de ZvP.
Besturing van de oogbewegingen Meestal vinden de oogbewegingen geleidelijk plaats. In dit geval spreekt men van gladde oogbewegingen, de z.g. volgbewegingen. Wanneer de blik reflexmatig en heel snel naar een heel andere plaats wordt getrokken, spreken we van sprongsgewijze oogbewegingen. Tevens maken de oogspieren het mogelijk om de ogen gezamenlijk te richten op objecten op korte afstand, bijv. bij lezen en op grotere afstanden, zoals bij televisiekijken of autorijden.
1 . Anatomie van de oogspieren
2 . Bewegingsrichtingen van het oog door de afzonderlijke oogspieren
3. Functies van de oogbewegingszenuwen De IV e zenuw, de katrolzenuw, verzorgt als bewegingsspier de bovenste schuine oogspier (F; fig.1), die de oogbol schuin naar onderen convergeert oftewel naar binnen/onder beweegt (‘kijken naar het puntje van de neus'). Een afzonderlijke uitval van deze zenuw komt vrijwel niet voor, maar wel gecombineerd met een uitval van hersenzenuw III of VI. Hersenzenuw VI, ook wel de afvoerende zenuw genoemd, is een bewegingszenuw, die de buitenste rechte oogspier (B, fig. 1) verzorgt en door zijn trekkracht het oog naar buiten kan laten bewegen. Hetzij door aandoeningen in de hersencentra - waaruit de hersenzenuwen III, IV en VI ontspringen - hetzij door aandoeningen op het traject van deze zenuwen naar de oogspieren kunnen dubbelbeelden ontstaan. Dit kan bijv. komen door een gehele of gedeeltelijke uitval van deze zenuwen of door stoornissen bij de signaaloverdracht van deze zenuwen naar de oogspieren. Ook kunnen de oogspieren zélf aangedaan zijn (31).
Wat voor dubbelbeelden kunt u tegenkomen? Binoculaire dubbelbeelden zijn alleen aanwezig, als u met twee ogen kijkt en verdwijnen, als u één van de ogen dichthoudt of afdekt. Deze dubbelbeelden ontstaan, wanneer er geen goede samenwerking tussen de twee ogen plaatsvindt, bijv bij een uitval van één of meerdere oogspieren. Een uitval van één oogspier betekent, dat het oog niet volledig verplaatst kan worden in de richting, waarin het normaal trekt (fig. 2). In rust, wanneer de intacte oogspieren geen tegenkracht uitoefenen, kan een afwijking in de oogstand gesignaleerd worden in tegenovergestelde richting van de trekkracht van de aangedane spier.
2 . horizontale, verticale en/of diagonale dubbelbeelden Bij waarneming 1 in figuur 3 is sprake van een aandoening van de buitenste rechte oogspier van het rechteroog, normaal bestuurd door VI, en kan het oog onvoldoende divergeren. Het oog trekt scheel naar binnen, zodat er bij het kijken in de verte horizontale dubbelbeelden ontstaan. De rode beelden, waargenomen door het rechteroog blijven achter door de aandoening van deze spier in het rechteroog t.o.v. de blauwe beelden, waargenomen door het linkeroog. Horizontaal betekent in deze figuur dus, dat de rode en blauwe dubbelbeelden naast elkaar en niet boven of onder elkaar liggen. Waarneming 2 geeft horizontale dubbelbeelden weer bij een aandoening van de binnenste rechte spier van het rechteroog. normaal o.a. bestuurd door hersenzenuw III. Gelet op de tegengestelde bewegingsrichting van het oog door de buitenste rechte oogspier in fig. 2 (nr. 1) zijn de dubbelbeelden tegengesteld aan die bij waarneming 1. Waarneming 3 en 4 laten respectievelijk dubbelbeelden zien, die ontstaan bij een aandoening van de bovenste rechte spier en de onderste rechte spier van het rechteroog, normaal bestuurd door hersenzenuw III. Hier is vooral van verticaal en enigszins diagonaal dubbelzien sprake met rode en blauwe beelden boven elkaar en zijn de dubbelbeelden van waarneming 3 tegengesteld aan die van 4 (vergelijk fig. 2 weer met fig. 3). Waarneming 5 toont vooral verticale en soms wat diagonale dubbelbeelden bij aandoening van de bovenste schuine spier van het rechteroog, normaal bestuurd door IV. Deze spier convergeert schuin naar onderen oftewel beweegt naar binnen/onder (‘kijken naar het puntje van de neus'). Dus bij een dergelijke uitval gaan we dubbelzien bij kijken naar beneden, bijv. bij het lezen, traplopen e.d. Wanneer men naar de neuskant kijkt, kan men het oog niet goed naar beneden richten. De twee beelden staan dan schuin boven elkaar. Tenslotte laat waarneming 6 vooral verticale en diagonale dubbelbeelden zien, die men waarneemt bij een aandoening van de onderste schuine spier van het rechteroog, normaal bestuurd door hersenzenuw III en laat tegengestelde beelden zien aan die bij waarneming 5. Bij waarnemingen 1 en 2 ontstaan ongekruiste en bij de waarnemingen 3, 4, 5 en 6 gekruiste dubbelbeelden (fig. 3) respectievelijk ontstaan door divergentiezwakte en convergentiezwakte.
Oorzaken van dubbelzien Monoculair dubbelzien is meestal het gevolg van afwijkingen in het oog zelf, bijv. een brilafwijking of een oogziekte als staar of hoornvliesaandoeningen of door complicaties na een oogoperatie (10). Het rechteroog neemt bijv. veel kleinere beelden waar dan het linkeroog. Het verschil is op een gegeven moment niet meer te overbruggen en er blijven dubbelbeelden bestaan. Een bril of contactlenzen geven dan vaak een goede oplossing. In zeldzame gevallen is het dubbelzien aangeboren, waarbij meestal één van de oogspieren zelf is aangedaan. Het overgrote deel van de binoculaire vorm zijn verworven aandoeningen. Verworven aandoeningen komen meestal door een hersenletsel, vaataandoeningen, een overmatig werkende schildklier, suikerziekte, het gebruik van bepaalde anesthetica, maar vooral door neurologische aandoeningen als neuropathieen, o.a. soms door een vitamine B1 tekort en door drukverhogingen in de hersenen (11-19). Deze schades kunnen acuut opgelopen zijn, maar soms ook langzaam en progressief tot stand komen, zoals bij neurodegeneratieve aandoeningen, bijv. multipele sclerose (18) en de ziekte van Parkinson (19).
Dubbelzien bij Parkinson Een relatief weinig voorkomende vorm van dubbelzien, horizontale ongekruiste dubbelbeelden als gevolg van een gedeeltelijke uitval van de buitenste rechte oogspier met divergentiezwakte (Fig. 2 en 3, waarneming 1) werd o.a. bij ook Parkinsonpatiënten gesignaleerd (8). Niet-motorische stoornissen als dubbelzien gaan nogal eens samen met motorische symptomen als de loopgang en bevriezing van het lopen (21).
Behandelingen van dubbelzien bij Parkinsonpatiënten Vaak wordt maximaal 6 maanden afgewacht of het dubbelzien spontaan achterwege blijft. Wanneer een oogspierfunctie herstelt, worden de dubbelbeelden ook minder. Soms kunnen na verloop van tijd de oogbewegingen zodanig zijn hergeprogrammeerd ten gevolge van een leereffect door ervaring, dat de oogbewegingen weer vrijwel normaal zijn, beter op elkaar zijn afgestemd en er geen dubbelzien meer optreedt. Als u als patiënt met de ZvP bij het voortschrijden van de ziekte voor het eerst merkt, dat u slechter en/of dubbel gaat zien bij lezen e.d., dan kan een tijdelijke verbetering soms al bereikt worden met inname van levodopa, vooral als u een ‘off - periode' in de motoriek ervaart (21). Hulpmiddelen als vergrootglazen, een bril of contactlenzen kunnen de eerste problemen verhelpen. In een later stadium biedt al enige tijd een bril met een prisma een goede oplossing. Prismaglazen veranderen de lichtinval, zodat het gefixeerde voorwerp op het netvlies van beide ogen valt ondanks de oogstand. Zo zorgt de prisma voor verplaatsing van het beeld in de juiste richting, waardoor u recht vooruit kijkt en er geen dubbelbeelden meer te zien zijn. De dubbelbeelden, die alleen bij dichtbij zien optreden, bijv. bij het lezen, kunnen met een prismaleesbril uit het gezichtsveld verdwijnen. De ervaring heeft geleerd, dat een door de neuroloog voorgeschreven leesbril, al of niet met een prisma, die van speciaal glas is gemaakt, voor het oplossen van dubbelzien veel geschikter is dan een goedkope leesbril (19). Dubbelbeelden, die alleen ontstaan bij verzien kunnen met een aangepaste afstandsbril met prisma verholpen worden. Dubbelfocus prismalenzen of een dubbelfocus bril kunnen gemaakt worden voor het oplossen van dubbelzien, zowel bij dichtbij als veraf zien (19). Een z.g. ‘Fresnel membraan prisma' bleek een goed hulpmiddel bij de behandeling van dubbelzien bij 80% van de volwassen patiënten, waaronder 50% met horizontale, 40% met verticale en 10% met diagonaal dubbelzien (23). Een belangrijk bijkomend voordeel bij gebruik van individueel aangepaste prismaglazen bij de ZvP en ander ziekten met parkinsonsymptomen zoals PSP ligt op het motorische vlak, nl. het verbeteren van de balans van het lichaam en beter lopen, als men de grond niet meer ziet. Met een aangepaste prismabril of lenzen kunnen nl. ontbrekende beelden bij het naar beneden kijken zich herstellen en zo meewerken om het lopen verbeteren. De klachten van binoculair dubbelzien kunnen ook vaak worden opgeheven door het afdekken van één oog met een pleister of oogdop of door het afplakken van een brillenglas voor het niet goed bewegende oog. Tijdens de herstelfase verdwijnt als eerste de hoofdpijn en daarna het dubbelzien. Bij ongeveer 60% van de patiënten zijn de oogbewegingen binnen 2 weken normaal en na 2 maanden is vrijwel altijd volledig herstel opgetreden (24). Blijft het dubbelzien echter bestaan bij het afdekken van één oog, dan is er sprake van monoculair dubbelzien en is de oorzaak in het oog zelf gelegen. Soms is echter een operatieve ingreep noodzakelijk, bijv. bij scheelzien. Sommige patiënten met binoculair dubbelzien en scheelzien als gevolg van een uitval van hersenzenuw VI en/of de buitenste rechte oogspier of als gevolg van blepharospasme (25) kunnen baat hebben bij een behandeling met een botulinum toxine A injectie (26-28). Dit middel is veilig (29) en kan ook voordeel opleveren bij behandeling van andere parkinsonsymptomen, niet alleen bij Parkinsonpatiënten, maar vooral ook bij dystoniepatienten (30). Tenslotte kunnen bepaalde oefentherapieën voor de oogspieren een gunstige uitwerking hebben om dubbelbeelden te laten verdwijnen.
Bij welke antiparkinsonmedicatie dubbelzien als bijwerking?
Slotconclusies Ondanks de nog niet te genezen ZvP kan het dubbelzien meestal hersteld worden. Vaak verdwijnt het dubbelzien vanzelf of bij het sluiten van de ogen. Anders kan men soms in de beginfase al volstaan met inname van levodopa, wanneer andere met name motorische Parkinsonsymptomen gaan opspelen, die vaak samengaan met dubbelzien. De klachten van binoculair dubbelzien kunnen vaak door afdekken van één oog van het niet goed bewegende oog opgeheven worden. Tijdens de herstelfase verdwijnt meestal als eerste de hoofdpijn en daarna het dubbelzien. Bij het merendeel van de patiënten zijn de oogbewegingen binnen een paar weken weer normaal. Als er geen herstel plaatsvindt binnen 6 maanden, kan men aangepaste prismalenzen of behandeling met botulinum toxinen toepassen. Dubbelzien ten gevolge van scheelzien of andere beschadigingen in het oog zelf kunnen alleen met een chirurgische ingreep door optische correctie hersteld worden.
Referenties |
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
|
Door het gebruik van de website of het forum gaat u akkoord met de toepasselijkheid van deze voorwaarden. |