Proefschrift “Diagnostic strategies in the early detection of Parkinson’s disease” van Dr. M. Ponsen | parkinson-vereniging.nl

A A
Meer

Proefschrift “Diagnostic strategies in the early detection of Parkinson’s disease” van Dr. M. Ponsen

Verslag van proefschrift “Diagnostic strategies in the early detection of Parkinson’s disease”

 
Dr. M. Ponsen

Op 23 november 2009 promoveerde Mirthe Ponsen aan de Vrije Universiteit op haar proefschrift getiteld "Diagnostic strategies in the early detection of Parkinson's disease", onder begeleiding van dr. H.W. Berendse en prof.dr. E.Ch. Wolters.

In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste bevindingen uit haar proefschrift.

De ziekte van Parkinson is een chronische, langzaam progressieve hersenziekte, gekenmerkt door verlies van, onder andere, dopamine producerende neuronen (hersencellen) in de zwarte kern (substantia nigra). Ten tijde van het stellen van de diagnose, op grond van de kenmerkende verschijnselen; beven, traagheid en stijfheid, is het grootste gedeelte van de dopamine producerende neuronen al verloren gegaan. Op grond van radiologisch en pathologisch onderzoek is het aannemelijk dat in een periode van vier tot zes jaar voorafgaand aan de diagnose al sprake is van progressief verlies van dopamine producerende neuronen. In diezelfde periode gaan ook veel niet-dopamine producerende neuronen verloren. Naast de bovengenoemde klassieke kenmerken, is de ziekte van Parkinson eveneens geassocieerd met een scala aan niet-motorische symptomen zoals een afname van het reukvermogen, stoornissen in het denken (cognitie), stemmingsstoornissen, bloeddrukschommelingen en slaapstoornissen. Na verloop van tijd leiden de motorische en niet-motorische kenmerken bij de meeste patiënten tot toenemende beperkingen in het dagelijks leven. De huidige symptomatische behandelopties kunnen de motorische symptomen onderdrukken maar hebben geen invloed op het onderliggende ziekteproces. Bovendien zijn de behandelingsmogelijkheden van de niet-motorische stoornissen nog niet optimaal en ontstaan in de loop van de ziekte ook motorische problemen die niet reageren op de huidige symptomatische behandeling, zoals stoornissen van de balans. Een belangrijk doel in het Parkinson-gerelateerde onderzoek is dan ook het ontwikkelen van therapieën waarmee het ziekteproces wordt afgeremd of stopgezet. Meer inzicht in de ontstaansmechanismen van de ziekte is daarbij essentieel. De laatste jaren zijn belangrijke vorderingen gemaakt bij de ontwikkeling van behandelingsmethoden gericht op het beschermen van de dopamine neuronen tegen dit schadelijke proces (neuroprotectieve behandelingen). Een neuroprotectieve therapie is het meest effectief wanneer deze zo vroeg mogelijk wordt toegepast in het ziekteproces. Daarom is vroege opsporing van de ziekte van Parkinson, bij voorkeur zelfs voordat de kenmerkende motorische stoornissen optreden, van groot belang.

Het onderzoek beschreven in het proefschrift van Mirthe Ponsen getiteld "Diagnostic strategies in the early detection of Parkinson's disease" was gericht op het zoeken naar methoden om de ziekte van Parkinson vroegtijdig op te sporen. In het eerste gedeelte van het proefschrift worden een tweetal studies beschreven waarin gebruik gemaakt wordt van speciale bewegingsanalyses. Deze studies werden uitgevoerd bij patiënten bij wie de diagnose Parkinson heel recent was gesteld en die dus in een zeer vroege fase van de ziekte verkeerden. Deze patiënten werden ook nog niet behandeld met medicijnen. De bewegingsanalyses in de eerste studie bestonden uit een schrijftaak, een richttaak en een houdingstaak. Deze tests werden zowel bij patiënten als gezonde proefpersonen afgenomen. De resultaten lieten onder meer zien dat deze bewegingstaken al in de vroegste fase van de ziekte van Parkinson gestoord zijn. In dezelfde groep patiënten was ook de coördinatie getest, door middel van een taak waarbij tegelijkertijd symmetrische (in-fase) danwel asymmetrische (uit-fase) bewegingen van beide handen moeten worden uitgevoerd. De coördinatie bleek ook al in de vroegste fase van de ziekte gestoord te zijn. Hoewel de groep patiënten en controle groep gemiddeld duidelijk van elkaar verschilden, was het onderscheidend vermogen op individueel niveau niet groot genoeg om de taken geschikt te maken voor het opsporen van de ziekte van Parkinson in de fase van de ziekte die vooraf gaat aan het stellen van de diagnose.

Het tweede gedeelte van het proefschrift was gericht op de voorspellende waarde van afname van het reukvermogen (hyposmie) en van stoornissen in het denken (de cognitie) voor het krijgen van de ziekte van Parkinson, waarbij ook gebruik werd gemaakt van SPECT (Single Photon Emission Computed Tomography) scans van het dopamine systeem in de hersenen. Dit is een techniek waarbij het striatum, een hersengebied met uitlopers van de dopamine cellen van de zwarte kern, zichtbaar gemaakt kan worden met behulp van een radioactieve stof. Dit onderzoek werd uitgevoerd bij een groep gezonde eerste graads familieleden van mensen met de ziekte van Parkinson.

            In de eerste studie werd het reukvermogen getest door middel van een combinatie van taken waarbij gekeken werd naar de scherpte van het reukvermogen (geurdetectie), het benoemen van geuren (geuridentificatie) en het onderscheiden van geuren (geurdiscriminatie). Op grond van het reukvermogen werden twee groepen geselecteerd: de 10% slechtst ruikende (hyposmische) en de 10% best ruikende (normosmische) familieleden. Bij de geselecteerde groepen werd in het begin van het onderzoek en twee jaar later een neurologisch onderzoek en een SPECT scan vervaardigd ter beoordeling van de hoeveelheid dopamine in het striatum. Om de overige familieleden in de tijd te vervolgen, hadden zij vragenlijsten ingevuld, gevoelig voor het vroeg opsporen van personen met verschijnselen van de ziekte van Parkinson. Na twee jaar bleek 10% van de hyposmische familieleden, die eveneens een sterk verminderde hoeveelheid dopamine in het striatum hadden, de ziekte van Parkinson te hebben ontwikkeld. De overige hyposmische familieleden vertoonden een versnelde afname van de hoeveelheid dopamine in het striatum over de periode van twee jaar vergeleken met de normosmische familieleden. Deze resultaten impliceren dat afname van het reukvermogen bij eerstegraads familieleden van Parkinson patiënten geassocieerd is met een risico op het krijgen van de ziekte van Parkinson van tenminste 10%.

            Het doel van de tweede studie, was te beoordelen of en in welke mate de drie reuktesten en twee cognitieve testen voorspellende waarde hebben voor het ontwikkelen van de ziekte van Parkinson. Dit onderzoek werd uitgevoerd bij hetzelfde cohort familieleden beschreven in de eerste studie, maar nu vijf jaar na het begin van het onderzoek. De resultaten lieten zien dat, in tegenstelling tot de cognitieve testen, een afname van de prestatie op ieder van de drie afzonderlijke reuktesten geassocieerd is met het later ontwikkelen van de ziekte van Parkinson. De beste voorspeller bleek de geurdiscriminatie taak te zijn.

 In de laatste studie worden de resultaten beschreven van het onderzoek gericht op de voorspellende waarde van een combinatie van reuktests en een SPECT scan voor het ontwikkelen van de ziekte van Parkinson over een periode van vijf jaar. Hiertoe was bij de hyposmische en normosmische familieleden van het bovenbeschreven cohort eerstegraads familieleden van patiënten met de ziekte van Parkinson, vijf jaar na het opstarten van het onderzoek opnieuw een neurologisch onderzoek en een SPECT scan vervaardigd. De overige familieleden hadden opnieuw een vragenlijst ontvangen als screening op de aanwezigheid van (motorische) afwijkingen, kenmerkend voor de ziekte van Parkinson.  Na vijf jaar bleek een anderszins onverklaarde afname van het reukvermogen geassocieerd te zijn met een risico van 12.5% op het krijgen van de ziekte van Parkinson. Wanneer de resultaten van de eerste SPECT scans meegenomen werden, bleek dat alle patiënten die bij het begin van het onderzoek een afgenomen reukvermogen en een afwijkende SPECT scan hadden, inmiddels de ziekte van Parkinson hadden ontwikkeld. Een combinatie van reuktests en SPECT scanning lijkt dus een zeer hoge gevoeligheid te hebben voor het vroegtijdig opsporen van de ziekte van Parkinson.

In toekomstig wetenschappelijk onderzoek kan gebruik gemaakt worden van de combinatie van reuktests en SPECT scanning om grotere groepen personen in de vroegste fase van de ziekte van Parkinson op te sporen om zodoende onze kennis van deze fase te vergroten. Momenteel is deze methode nog niet geschikt voor grootschalig onderzoek omdat reukstoornissen bij diverse aandoeningen veel voorkomen wat resulteert in een te grote groep mensen die een SPECT scan moeten ondergaan. Een mogelijkheid is het toevoegen van andere testen eveneens gevoelig voor het vroegtijdig opsporen van de ziekte van Parkinson. Uiteindelijk zou dit kunnen leiden tot een screeningsmethode als onderdeel van een strategie om vroegtijdig een neuroprotectieve behandeling te kunnen starten.


Op het gebruik van deze website zijn de gebruiksvoorwaarden van toepassing.
Door het gebruik van de website of het forum gaat u akkoord met de toepasselijkheid van deze voorwaarden. 
Privacy- en cookiepolicy | Opzeggen lidmaatschap