Diagnosestelling

Het is niet makkelijk om de juiste diagnose te stellen. De klachten geven niet altijd direct voldoende aanwijzing voor een parkinsonisme. Er is vaak tijd nodig om te zien hoe de klachten zich ontwikkelen. Om er toch zo snel mogelijk de diagnose te kunnen stellen schrijft de neuroloog meestal eerst parkinsonmedicijnen voor. Als hierdoor de symptomen niet verminderen en de klachten afnemen, groeit het vermoeden dat het om een parkinsonisme gaat.

Lichamelijk onderzoek

Tegelijkertijd wordt de patiënt lichamelijk onderzocht, door middel van een paar lichamelijke oefeningen. Aan de manier van bewegen kan de arts zien of er afwijkingen zijn, ook afwijkingen van het normale beeld dat een patiënt met de ziekte van Parkinson geeft.

Indien de medicijnen niet werken en ook het bewegen atypische verschijnselen vertoont, wordt een MRI-scan gemaakt, om helemaal uit te sluiten dat er nog andere oorzaken dan parkinson of een parkinsonisme zijn. Deze ziektebeelden zijn op een MRI-scan namelijk niet te zien.

Vervolgonderzoek 

Alleen als er sprake blijkt te zijn van een vasculair parkinsonisme – door een beschadiging aan de bloedvaten – ziet de arts kleine hersenbeschadigingen op de scan.

Als hieruit blijkt dat er sprake is van parkinson of een parkinsonisme, maar al duidelijk was dat de medicijnen niet werken, zijn nog een aantal vervolgonderzoeken mogelijk. Dit zijn een PET-scan of een echo. Als de arts wil weten of u MSA heeft kan hij ook de bloeddruk meten of via een speciaal apparaatje de werking van de sluitspieren van darm en blaas meten.

Waarschijnlijke diagnose

Regelmatig blijft de arts twijfelen en stelt de diagnose op ‘waarschijnlijk’. Bijvoorbeeld: ‘waarschijnlijk MSA’, ‘waarschijnlijk PSP’. Deze onzekere diagnose verandert na een aantal maanden of soms jaren in een ‘zeker MSA’ of ‘zeker PSP’, zodra de symptomen duidelijker worden.

Terug naar boven