Blog: De diagnose

Blog: De diagnose

12 januari 2021 0 reacties

Arnold Smeels.jpg

Ik ben Arnold Smeels (Amersfoort, 1949). Getrouwd met Andrien. Wij wonen in Middelburg. Drie volwassen kinderen en zes kleinkinderen. Ik noem Andriens naam omdat ze soms in mijn verhalen een rol speelt. Mijn arbeidzame leven heb ik doorgebracht bij de politie. In maart 2016 kreeg ik de diagnose parkinson. 

Van de diagnose zelf was ik niet eens het meest geschokt. De grootste dreun was dat ik ruw werd wakker geschud uit het naïeve idee dat mij niets kon overkomen. Links en rechts vielen naasten en vrienden om of werden ernstig ziek, maar mij kon niets gebeuren. Mijn lichaam, mijn burcht, was een onneembare veste voor kanker, voor Alzheimer, voor welke andere rotziekte dan ook. Die kwamen er bij mij niet in. Dat zou mij bespaard blijven. Ik was er rotsvast van overtuigd. Ik wist het zeker. Er waren maar drie woorden voor nodig om die zeepbel uit elkaar te laten spatten: ‘U heeft parkinson.’

Ook mijn onneembaar gewaande burcht bleek imperfect; niet bestand tegen de gevolgen van gestoorde aanmaak van dopamine in mijn hersenpan. Die drie woorden maakten een verpletterende indruk op me. Ik was uit balans. De boodschap van de neuroloog was onwerkelijk. Het kon niet. Het mocht niet. Mijn kaartenhuis zakte in elkaar.

Als ik het verhaal van mijn zogenaamd onneembare burcht aan anderen vertel, ook nu nog, vijf jaar na dato, kan ik mijn tranen nauwelijks bedwingen. Nog steeds niet. Dan ben ik de regie over mijn emoties kwijt. Mijn filter om ze in beheersbare banen te leiden is kapot. Emotioneel incontinent. Tranen.

Of de duvel ermee speelde. Een paar dagen na de diagnose van de neuroloog stond ik bij Albert Heijn in de rij bij de kassa achter een echtpaar. Ze hadden de taken verdeeld. Zij ging voorop om de boodschappen in haar tas te pakken; hij sloot de rij want hij zou afrekenen. Het was akelig om naar hem te kijken. Hij stond heen en weer te wiebelen, maakte met beide armen brede onwillekeurige

bewegingen en om zijn evenwicht niet te verliezen moest hij regelmatig steun zoeken. Hij trok de aandacht, onbedoeld. Het was onmogelijk om het níet te zien. Je kon er niet om heen kijken. Door de bewegingen die hij met zijn armen maakte, kostte het hem zichtbaar veel moeite zijn bankpas uit zijn portefeuille te halen. Het duurde nogal even. Onverstoorbaar ging hij door. Toen hoorde ik hem tegen het meisje achter de kassa zeggen: ‘Wees maar niet bang hoor. Ik heb parkinson’. Ik schoot vol.

Arnold is alleen maar mijn naam. Niet meer dan een etiket. Ik ben veel meer dan dat. Ik ben het vleesgeworden resultaat van wat vallen en opstaan sinds 20 juli 1949 van mij hebben gemaakt en mij hebben gebracht, van wat mij gelouterd heeft en beschadigd, van wat ik gewonnen en verloren heb, van wie ik bemind heb en gehaat, van wat ik gegeven en van wat ik genomen heb, van wat ik geleerd en afgeleerd heb, van wie en wat ik heb omarmd en soms weer afgestoten heb. Tot 2 maart 2016. Toen hield ik als Arnold 1.0 op te bestaan. De neuroloog bevestigde mijn doodvonnis. Ik zou als Arnold 2.0 voortaan zijn plaats innemen.

Hoewel het groeien van hoofdhaar geen ziekte is, vergelijk ik dat proces wel eens met wat parkinson met me doet. Het gaat ongemerkt. Maar ik weet dat het gebeurt. Net zoals ik weet dat mijn haar groeit. Van dag tot dag merk ik geen verschil. Gisteren was niet anders dan vandaag en morgen is dat ook niet opeens. Tot er drie maanden later iemand tegen me zegt dat het weer eens tijd wordt om bij de kapper langs te gaan. Dan zie je het verschil wel. Zoals mijn jongste zoon zei, die ik een tijdje niet had gezien: ‘Ik ben geschrokken toen ik je zag’.

Labels:

Reacties

Terug naar boven