Vroeger ingrijpen bij de ziekte van Parkinson: lessen uit het alzheimeronderzoek

Vroeger ingrijpen bij de ziekte van Parkinson: lessen uit het alzheimeronderzoek

Parkinsononderzoekers proberen nu de ziekte te voorkomen of te vertragen door eerder in te grijpen. De gedachte is dat voorgaand onderzoek mogelijk te laat ingreep; als de ziekte al teveel onherstelbare hersenschade had aangericht. Vandaar dat onderzoekers nu gericht zijn op het vinden van een behandeling voor mensen die nog maar net een parkinsondiagnose hebben gekregen, of een verhoogde kans hebben om de ziekte te ontwikkelen. 

Auteur: Marthe Smedinga

Deze onderzoeksstrategie brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Het is bijvoorbeeld de vraag hoe je mensen met een verhoogd risico op parkinson voor onderzoek gaat selecteren, en hoe je hen over dit risico vertelt? Alzheimeronderzoek is tien jaar geleden dezelfde weg ingeslagen; in de hoop dat vroeger ingrijpen tot het voorkomen of het remmen van de ziekte zou leiden. Aan dit onderzoek deden vaak (relatief) gezonde mensen mee, die een verhoogde kans op alzheimer hadden. Helaas heeft dit alzheimeronderzoek tot niets geleid. Welke lessen kunnen we hieruit trekken om de kans te vergroten dat het parkinsononderzoek wel een succesvol geneesmiddel brengt?     

1) Het kiezen van de juiste onderzoeksdeelnemers  
Het bepalen van de groep onderzoeksdeelnemers voor een geneesmiddelenonderzoek is een belangrijke uitdaging. Bij de verkeerde groep mensen heeft het middel geen kans van slagen: bij mensen in een vergevorderd ziektestadium is er weinig ruimte om verergering te voorkomen en bij gezonde mensen weet je niet zeker óf ze wel de ziekte van Parkinson zullen krijgen. Als ze überhaupt nooit ziek zullen worden, heeft een geneesmiddel natuurlijk weinig zin. Bij het bepalen van de groep onderzoeksdeelnemers gaat dus om de juiste balans.    

Nieuw geneesmiddelenonderzoek zal zich onder andere richten op mensen die nog geen ziekte van Parkinson hebben, maar het waarschijnlijk wel zullen krijgen. Een individueel risico op de ziekte van Parkinson kan berekend op basis van een lijst met risicofactoren. Het gaat hier om leefstijlfactoren en lichte symptomen, maar ook over biologische testuitslagen zoals een hersenscan. Als iemand op basis van deze berekening meer dan 80% kans heeft de ziekte van Parkinson te ontwikkelen, dan wordt er binnen het onderzoek ook wel gezegd dat iemand een hele vroege vorm van de ziekte heeft.

De vraag is of je dit wel een ‘vroeg ziektestadium’ moet noemen. In het alzheimeronderzoek hebben we namelijk geleerd dat je moet oppassen met het verruimen van de diagnose naar ‘vroegere’ stadia als het gaat over mensen met een verhoogd risico op de ziekte. Dat betekent namelijk dat je ook mensen die nooit ziek zullen worden zal belasten met een diagnose, en ze zich misschien onnodig zorgen zullen maken. De les uit het alzheimeronderzoek is om te spreken over risico op de ziekte van Parkinson in plaats van ‘een vroeg stadium’, als er een serieuze kans is dat iemand nooit daadwerkelijk ziek wordt.

2) Mogelijke geneesmiddelen om te testen

Het eiwit α-synucleïne wordt ervan verdacht een rol te spelen in het veroorzaken van de ziekte van Parkinson door zich op te stapelen in de hersenen. De hoop is dat immunotherapie kan helpen bij het opruimen van α-synucleïne-opstapeling en zo het ziekteproces kan stoppen of vertragen. Op een vergelijkbare manier is er in het alzheimeronderzoek ook geprobeerd om met immunotherapie eiwitopstapeling in de hersenen op te ruimen om zo dementie te voorkomen of vertragen. Helaas is dat ondanks vele pogingen niet gelukt.

Parkinsononderzoek kan hiervan leren. De teleurstelling bij alzheimeronderzoek was mede zo groot omdat alle inzet en hoop gericht was op de theorie dat eiwitopstapeling de ziekte veroorzaakt, maar die theorie wordt vaak betwijfeld. Vooral nadat bleek dat mensen bij wie de eiwitopstapeling was opgeruimd toch dementie kregen. Het blijft daarom belangrijk dat parkinsononderzoek verschillende wegen naar een mogelijk geneesmiddel blijft onderzoeken, en niet alles op één paard wedt.

3) Hoe meet je het effect van een geneesmiddel?

Er zijn verschillende manieren waarop je het effect van een geneesmiddel meet. Je kan kijken naar symptomen, zoals tremor, de mate waarin iemand zelfstandig taken kan uitvoeren, levenskwaliteit of subtielere effecten, zoals gemeten op een sporthorloge. Het voordeel van het kijken naar subtielere metingen is dat je niet over een mogelijk effect van het middel heen kijkt. Anderzijds wil je ook niet een middel op de markt brengen waarom de effecten zo subtiel zijn dat niemand het verschil merkt. Vanuit het alzheimeronderzoek hebben we geleerd dat subtielere metingen belangrijk zijn in de eerste fasen van onderzoek, maar dat het effect van een middel op iemands symptomen en levenskwaliteit altijd onderzocht moet worden voordat dokters het kunnen gaan voorschrijven.

Bron: Towards early disease modification of Parkinson’s disease: a review of lessons learned in the Alzheimer field

Labels:

Terug naar boven